18 de spiermassa en spierkracht sterk verminderd zijn als gevolg van de ziekte. Door bovenarmomtrek voor leeftijd < -2 SDS toe te voegen aan de definitie voor acute ondervoeding, werden significant meer kinderen geïdentificeerd als zijnde acuut ondervoed. Een mogelijke verklaring is dat de bovenarmomtrek minder wordt beïnvloed door een veranderde lichaamssamenstelling dan het gewicht, zoals door oedeem of organomegalie als uiting van onderliggende ziekten. Eerdere studies naar het gebruik van de bovenarmomtrek hebben een sterke relatie aangetoond tussen de bovenarmomtrek en het gewicht, en het gebruik van de bovenarmomtrek als definitie voor ondervoeding is meerdere malen beschreven en voorgesteld (zie literatuurlijst 5, 6, 7, 8, 9, 10). Het meten van de bovenarmomtrek zou een goede aanvullende bijdrage kunnen leveren aan het identificeren van ondervoeding bij deze kinderen. STRONGkids Aan de hand van de STRONGkids-risicoscore had 59,3% van de kinderen een laag risico, 38,5% een matig risico en 2,2% een hoog risico om ondervoeding te ontwikkelen. Naar verwachting waren de mediane SDS voor gewicht, lengte en bovenarmomtrek significant hoger in de laag risico groep vergeleken met de matig en hoog risico groep. Daarnaast waren de prevalentie acute, chronische ondervoeding en ondervoeding in het algemeen significant lager in de laag risico groep vergeleken met de matig hoog risico groep. Tijdens een landelijke studie in de Nederlandse ziekenhuizen, werd 38,0% van de kinderen geclassificeerd in de laag risico groep, 54,0% in de matig risico groep en 8,0% in de hoog risico groep. Ten opzichte van deze huidige studie is er een verschuiving van het aantal kinderen in de laag risico groep: ongeveer 60% van de kinderen op de LZK-scholen ten opzichte van ongeveer 40% van de kinderen in de ziekenhuizen. Dit is een logisch gevolg van het feit dat de kinderen in onze huidige studie minder acuut ziek waren. De verschillen in antropometrische waarden en prevalentiecijfers van ondervoeding tussen de risicogroepen bevestigen de waarde van de STRONGkids-risicoscore bij het identificeren van kinderen met een risico op het ontwikkelen van ondervoeding. Van de 14 kinderen ingedeeld in de hoog risico groep, ontvingen 10 kinderen voedingsinterventie. Het is belangrijk om bij de overige 4 kinderen na te gaan of voedingsinterventie bij hen gewenst is, mogelijk in samenwerking met een diëtist. Onder de kinderen met overgewicht werden 2 kinderen volgens de STRONGkids-risicoscore ingedeeld in de hoog risico groep. Deze kinderen hadden dus volgens de screeningsmethode een hoog risico op het ontwikkelen van ondervoeding, ondanks hun GVLN > 2 SDS. Beide kinderen kregen voedingsinterventie in de vorm van sondevoeding of drinkvoeding. Kwaliteit van leven De mediane EQ-index was in de totale groep kinderen 0,86. Deze score verschilde niet tussen ondervoede en niet-ondervoede kinderen, tussen acuut ondervoede en chronisch ondervoede kinderen, en tussen kinderen met overgewicht en kinderen zonder overgewicht of ondervoede kinderen. Er werd geen correlatie aangetoond tussen de EQ-index en de GVLF, GVLN, LVL en BVL. In ons onderzoek Pagina 23

Pagina 25

Voor spaarprogramma, online mailings en PDF-en zie het Online Touch CMS beheersysteem systeem. Met de mogelijkheid voor een online winkel in uw verenigingsbladen.

460 Lees publicatie 153Home


You need flash player to view this online publication