konden wij dus niet aantonen dat de kwaliteit van leven, indien werd gekeken naar mobiliteit, zelfverzorging, dagelijkse activiteiten, pijn/ klachten en angst/depressie, gerelateerd is aan de voedingstoestand van het kind. Interessant was wel dat de EQ-index in de hoog risico groep significant lager was dan in de matig risico groep en laag risico groep. Dit kan betekenen dat een kind met een hoge STRONG ids -risicoscore k zieker is, wat van invloed kan zijn op de kwaliteit van leven van het kind. Ook werd gevonden dat de EQ-score van kinderen die werden behandeld met steroïden of diuretica, significant lager was dan van kinderen die niet werden behandeld met steroïden of diuretica. Kinderen met een metabole ziekte scoorden de laagste EQ-index voor de kwaliteit van leven. Ziektebeelden en scholen 19 De prevalentie acute en chronische ondervoeding en ondervoeding in het algemeen was significant hoger onder kinderen die al vanaf hun geboorte ziek zijn, dan onder kinderen die op latere leeftijd ziek zijn geworden. Daarnaast waren de SDS voor GVLF, GVLN, LVL en BVL significant lager in deze groep kinderen. Aangezien ziekten die vanaf de geboorte reeds aanwezig zijn direct de groei kunnen beïnvloeden en deze ziekten relatief langer aanwezig zijn, is dit een verwacht resultaat. Er werd geen significant verschil aangetoond in de prevalentie acute ondervoeding tussen de ziektegroepen. De prevalentie chronische ondervoeding was het hoogst onder kinderen met een metabole ziekte. 334 kinderen (52,0%) waren de afgelopen drie maanden minstens één dag in verband met ziekte niet op school gekomen, en het mediane aantal dagen ziekteverzuim was vier dagen. Het hoogste percentage kinderen met ziekteverzuim werd gevonden op de school waarbij de diagnoses renale ziekten en ziekten in multipele ziektegroepen werden gezien. Uit deze studie is niet duidelijk geworden wat de invloed was van het aantal ziektedagen op de voedingstoestand. Het aantal kinderen dat ziekteverzuim had, was wel hoog, maar het mediane aantal dagen is waarschijnlijk relatief te laag om verschillen aan te tonen. Uit de cijfers kwam geen verband naar voren tussen het voorzien in schoolvoeding en de prevalentie van ondervoeding. De vraag is of deze verschillen meetbaar kunnen zijn, gezien het feit dat er met name sprake is van chronische ondervoeding en een groot deel van de kinderen op school komen met een langdurige ziekte vanaf de geboorte waarvan werd aangetoond dat deze groep de slechtste voedingstoestand heeft. Voor deze kinderen is het daarom van belang om niet nog verder af te buigen in de groeicurve en te zorgen voor een adequaat voedingsbeleid. Interessant was het feit dat kinderen die een vorm van voedingsinterventie kregen, de hoogste prevalentie ondervoeding hadden en het voor deze groep dus van groot belang is de voedingstoestand te continueren. Schoolklassen De mediane SDS voor GVLF, GVLN en BVL waren bij kinderen in de groepen 1-2 significant lager dan onder kinderen in hogere groepen (Tabel 10). Er werd geen verschil aangetoond in de prevalentie van chronische ondervoeding tussen de verschillende groepen, hoewel de mediane SDS voor LVL wel significant lager was in de groepen 1-2 Pagina 24

Pagina 26

Voor catalogi, online magazines en lesmateriaal zie het Online Touch beheersysteem systeem. Met de mogelijkheid voor een webshop in uw folders.

460 Lees publicatie 153Home


You need flash player to view this online publication