verschilde niet tussen kinderen met Nederlandse ouders en kinderen met buitenlandse ouders. Er bestond een significante relatie tussen de leeftijd en het percentage acute ondervoeding, zodanig dat de prevalentie acute ondervoeding lager was bij oudere kinderen (p = 0,022). Een afbuiging in gewicht of lengte, als onderdeel van de definities voor acute en chronische ondervoeding, werd slechts bij respectievelijk 0 en 1 kind gerapporteerd. GVLF SDS GVLN SDS LVL SDS BVL SDS Acute onderv. (%) Chron. onderv. (%) 11 Ondervoeding (%) Totale groep -0,25 0,46 -0,61 0,20 3,0 13,8 16,0 Jongens -0,30 0,47 -0,56 0,28 2,9 14,1 16,0 Meisjes -0,16 0,41 -0,68 0,03 3,1 13,4 16,1 GVLF=gewicht voor leeftijd, GVLN=gewicht voor lengte, LVL=lengte voor leeftijd, BVL=bovenarmomtrek voor leeftijd Ondervoeding op basis van bovenarmomtrek In totaal hadden 45 kinderen (7,1%) een bovenarmomtrek voor leeftijd <-2 SDS. Als bovenarmomtrek voor leeftijd <-2 SDS werd toegevoegd aan de definitie van acute ondervoeding, werd de prevalentie acute ondervoeding 8,6%. Dit is een significant hogere prevalentie dan de eerder beschreven prevalentie van 3,0% (p < 0,001). Voedingsinterventie en voedingstoestand Tabel 3: Ondervoeding en mediane SDS van GVLF, GVLN, LVL en BVL. Voedingsinterventie in de vorm van drinkvoeding of sondevoeding werd gegeven aan 37 kinderen. Van de 37 kinderen die voedingsinterventie kregen, waren er 24 ondervoed (65%); 4 kinderen waren acuut ondervoed (10,8%), 8 kinderen chronisch ondervoed (21,6%) en 12 kinderen in het algemeen ondervoed (32,4%). De prevalentie acute ondervoeding en ondervoeding in het algemeen was onder kinderen die voedingsinterventie ontvingen significant hoger dan onder kinderen die geen voedingsinterventie ontvingen (p = 0,020 en p = 0,005). STRONGkids D e vier onderdelen van de STRONGkids-risicoscore, ‘hoog risico ziekte’, ‘subjectieve klinische blik’, ‘voedingsintake en -verlies’ en ‘gewichtsverlies of -stilstand’, werden positief beantwoord bij respectievelijk 30,1%, 12,3%, 10,1% en 2,6% van de onderzochte kinderen. Aan de hand van de risicoscore werd 59,3% van de kinderen ingedeeld in de laag risico groep, 38,5% in de matig risico groep en 2,2% in de hoog risico groep (zie Tabel 4). Van deze 14 kinderen met een hoog risico op het ontwikkelen van ondervoeding, kregen 10 kinderen voedingsinterventie in de vorm van drink- of sondevoeding. STRONGkids -risicoscore Frequentie (%) n 0 1 2 3 4 5 Laag risico Matig risico Hoog risico 59,3 8,4 22,9 7,2 1,4 0,8 381 54 147 46 9 5 Tabel 4: STRONGkids -risicoscore. Tabel 5 toont de verschillen van de antropometrische gegevens van de drie risicogroepen en de prevalentiecijfers voor ondervoeding. De mediane SDS voor GVLF, LVL en BVL verschilden significant tussen Pagina 16

Pagina 18

Voor reclamefolders, online reisgidsen en lesmateriaal zie het Online Touch content management system systeem. Met de mogelijkheid voor een webwinkel in uw maandbladen.

460 Lees publicatie 153Home


You need flash player to view this online publication